Stagehandleiding voor natuurkundestudenten
In deze handleiding zijn enkele belangrijke punten opgenomen. Er is ook een
uitgebreidere versie beschikbaar.
Algemeen
- Het hoofddoel van de stage is te leren hoe je natuurkundig onderzoek doet.
Het is dus best mogelijk dat je resultaten minimaal zijn. Je moet dan een
verslag schrijven over wat je gedaan hebt en niet over wat je bereikt hebt.
- Geef zelf aan wanneer het tijd is om het experimentele gedeelte van je stage
af te ronden. Begin na ca 60 halve dagen met je verslag, want je verslag en
het voorbereiden van de presentatie neemt veel tijd in beslag. Houd er ook
rekening mee dat je je verslag waarschijnlijk nog twee keer ter verbetering
terug zult krijgen. Als je niet veel resultaten hebt, wil dat niet zeggen
dat je een slecht cijfer krijgt, als je na 60 halve dagen stopt met het experimentele
werk.
- Kijk uit met RSI. Zorg dat je goed meubilair hebt, en neem beginnende klachten
serieus. Doe liever iets langer over je stage, dan dat je de rest van je leven
last blijft houden van klachten. Elke maandagavond houdt mijnheer Niemans
blessure-spreekuur in het StudentenSportCentrum. Hij kan je ook adviseren
m.b.t. RSI.
- Meestal word je begeleid door een AIO. Je mag ervan uit gaan dat hij/zij
meer kennis en ervaring heeft, en dus beter dan jij kan beoordelen hoe iets
kan of moet. Toch is het goed om kritisch te zijn en je eigen ideeën niet
zomaar overboord te gooien. Als jij denkt dat iets moet kunnen, terwijl je
begeleider zegt van niet, kan het goed zijn om het verder uit te zoeken.
Planning
- Begin niet aan de stage als je er maar een of twee halve dagen per week
aan kunt werken. De stage wordt dan over een erg lange tijd verspreid, waardoor
je er niet echt goed ‘in’ kunt komen. Het werkt bovendien vaak slecht op de
motivatie.
- Bekijk of het wel verstandig is om tijdens de stage nog dingen als bestuurswerk
of vakken te volgen. Als je het daar druk mee hebt, kun je de stage misschien
beter uitstellen, zodat je je later volledig op de stage kunt richten.
- Werk het minimaal vier halve dagen per week aan je stage. Werk liever twee
hele dagen, dan vier halve dagen. Zorg ook voor regelmaat hierin, dan weet
je begeleider wanneer je er bent en kun je makkelijker afspraken maken.
- Overleg goed met je begeleider. Houd hem of haar op de hoogte van de stage.
Overleg juist ook als het níet goed gaat, zodat je samen naar oplossingen
kunt zoeken. Wees niet bang dat dit je punt negatief beïnvloedt: op zo’n manier
kun je juist weer sneller en beter vooruit. Bespreek ook de planning en eventuele
aanpassingen daarin met je begeleider. Stel hem/haar ook op de hoogte als
je er even niet bent, en vertel wanneer je van plan bent weer te komen.
- Houd je logboek goed bij. Verzorg de resultaten zodanig dat het verslag
voorbereid wordt: werk grafieken volledig uit, probeer de logica van je onderzoek
zo goed mogelijk op te schrijven: wat je gedaan hebt en waarom, wat uit de
resultaten blijkt, en hoe je verder gaat. Bij het schrijven van het verslag
zul je hier veel profijt van hebben.
- Als je sneller dan verwacht klaar bent met je opdracht, kun je besluiten
bepaalde dingen verder te onderzoeken. Kijk er echter voor uit dat de grenzen
van de opdracht niet steeds worden verlegd door jezelf of je begeleider, terwijl
je er al voldoende tijd aan hebt besteed.
Motivatie
- Als het niet goed gaat of als er apparatuur kapot is, kun je proberen de
opdracht aan te passen, of misschien eerst wat vakken gaan doen. Blijf in
ieder geval niet met je probleem zitten, maar bespreek het met je begeleider.
- Het werkt vrijwel altijd vertragend om het verslag thuis te schrijven. Kom
daarom toch naar de TU om je verslag te schrijven. Maak anders in ieder geval
afspraken met je begeleider over een deadline, zodat je een stok achter de
deur hebt.
- Veel kritiek kan demotiverend werken. Bedenk dan dat de kritiek geen aanval
is op alles wat je hebt bereikt, maar je helpt om verder te komen en te leren
hoe het beter kan. Kritiek wijst je op zaken die te verbeteren zijn. Het wil
niet zeggen dat je het slecht hebt gedaan, alleen dat het beter kan. Ga er
niet klakkeloos vanuit dat alle kritiek terecht is, en leg je eigen motivatie
om het op een bepaalde manier te doen, uit aan je begeleider.